Belgium/identificatie principe

From KeyToNature
Jump to: navigation, search

Het principe van identificatie


Namen zijn belangrijk

Zodra de naam van een voorwerp bekend is, kan er allerlei informatie over worden gevonden.

Voor een organisme kunnen dit feiten zijn zoals; of het eetbaar is of giftig, of het een economische waarde heeft. Een naam kan ook worden gebruikt om andere informatie mee te herleiden. De aanwezigheid van een soort kan wijzen op de kwaliteit van de lucht of van het water op die bepaalde plaats. Een verkeerde naam is misleidend. Slechts met een correcte naam komt de informatie beschikbaar die past bij een soort met die naam. Om betrouwbare informatie te kunnen herleiden, zal de manier waarop de soortnaam wordt gevonden nauwkeurig moeten worden bepaald.

Daarvoor moet goed gekeken worden naar unieke kenmerken en eigenschappen. Alle organismen hebben eigenschappen of kenmerken die een soort van alle andere soorten onderscheidt. Deze kenmerken zijn per soort door wetenschappers beschreven en samen met een specifieke naam gepubliceerd. Het herkennen van deze eigenschappen is de kern van identificatie. Het proces impliceert het vergelijken van een soort met bekende gegevens (die tekstbeschrijvingen, illustraties, geluid, of andere gegevens zoals de volgorde van het DNA kunnen omvatten). Een exemplaar waarvan de beschrijving niet past bij bekende soorten kan nieuw zijn voor de wetenschap.

Het vergelijken van een exemplaar met de beschrijvingen van alle bekende soorten is een moeizaam en zeer inefficiënte wijze van identificatie, daarom wordt een verscheidenheid aan hulpmiddelen; met name sleutels, gebruikt om het proces te versnellen.

Sleutels bevatten een reeks vragen, waarvan de antwoorden leiden tot de meest waarschijnlijke naam van de juiste soort. Het exemplaar kan vervolgens worden vergeleken met de gedetailleerde beschrijving van die soort ter bevestiging van de identificatie. Hoe groter de taxonomische groep in de sleutel, hoe langer de sleutel moet worden en hoe groter het risico van het maken van een fout in het proces. Er zijn sleutels voor de meest bekende groepen van organismen. Gebruikers die te maken hebben met een potentieel breed scala van organismen moeten toegang hebben tot een bibliotheek van sleutels, en een netwerk van specialisten om te kunnen raadplegen. Het kunnen determineren tot op niveau van de juiste soort vergt een heel nauwkeurig proces, en de kennis van deskundigen blijft vaak nodig.

Traditionele sleutels zijn meestal dichotoom, ze leiden de gebruiker via vragen met steeds twee mogelijkheden. De lengte van de sleutel wordt zo bepaald door het aantal soorten, per vraag kan slechts 1 soort of maximaal 2 soorten uitgesleuteld worden. Technische termen en een gebrek aan illustraties maken deze sleutels vaak moeilijk te gebruiken voor niet-specialisten.

Computerondersteunde sleutels, maken identificatie makkelijker doordat de sleutel interactief kan zijn, door bijvoorbeeld het best onderscheidende kenmerk te bepalen voor een snelle identificatie. De nieuwste methode voor identificatie van soorten wordt bar-coding genoemd. Deze methode is gebaseerd op genetische informatie. Alle soorten hebben een unieke volgorde en patroon van het DNA (de barcode) Door deze barcode te vergelijken met alle andere barcodes kan de soortnaam worden bepaald. Met deze methode worden soorten ontdekt die op geen enkele andere manier te identificeren zijn, maar de techniek is nog erg jong en wetenschappers zijn nog steeds bezig om een betrouwbare database op te zetten van alle bekende soorten.

Betrouwbare identificatie van organismen is niet alleen belangrijk voor de wetenschap maar ook voor de hele gemeenschap ( ziekteverwekkers in de gezondheidszorg, plaaginsecten in de agrarische sector, monitoring van ecosystemen, vaststellen van invasieve soorten, import en export regulering) en heeft een impact op alle aspecten van ons leven.


Hoe we namen gebruiken.

Namen zijn labels, en hoe we ze gebruiken is net zo belangrijk als wat ze zijn. Synoniemen kunnen erg verwarrend zijn, dus wetenschappers volgen strakke regels bij het gebruik van namen. Daar komt nog bij dat wetenschappers liever Latijnse namen gebruiken dan de lokale namen in de eigen taal. De Latijnse namen worden als de officiële namen beschouwd, daar zijn goede redenen voor met name om verwarring bij identificatie te voorkomen.

Lokale of gewone naam variëren van regio tot regio. Bijvoorbeeld, voor de plant Cardamine pratensis wordt in Nederland de naam koekoeksbloem gebruikt, in andere landen zijn directe vertalingen van die naam ook heel gewoon; in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en andere Noord-Europese regio’s wordt die naam gebruikt. Het is een lid van de kool-familie die groeit in vochtige weilanden. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk heeft deze plant ten minste 50 andere lokale namen. Cuckoo-flower wordt daar vaak ook nog gebruikt voor drie andere, totaal verschillende planten - een van hen is een zeldzame orchidee, en een andere heeft giftige bessen. Het gebruik van een lokale naam kan gemakkelijk leiden tot verkeerde identificatie, met verwarrende en potentieel desastreuze gevolgen.

Latijnse of wetenschappelijke namen zijn universeel, wereldwijd wordt die naam gebruikt voor hetzelfde organisme. Alle wetenschappelijke namen zijn binominaal dat betekent dat een naam uit twee delen bestaat, het geslacht gevolgd door de soort. Op dezelfde manier hebben we zelf ook een naam. De familienaam en de voornaam (in die volgorde). Wetenschappelijke namen, geven net als onze eigen namen, informatie over relaties en gedeelde overeenkomsten. Sommige planten hebben geen lokale naam, zodat de wetenschappelijke naam de enige is die kan worden gebruikt.


Terug naar de hoofdpagina